Verwonderen: nieuwsgierig worden naar de tekst

Een goede leesles begint niet altijd met lezen. Soms begint zij met kijken, luisteren, twijfelen of je iets afvragen. Een bijzondere afbeelding, een opvallende titel of een vreemd voorwerp kan genoeg zijn om het denken van leerlingen in beweging te brengen.

Binnen de 3V leesroutine heet deze eerste fase Verwonderen. Leerlingen maken kennis met de tekst en het onderwerp, maar hoeven nog niet meteen alles te begrijpen. De leerkracht probeert hun aandacht te richten en nieuwsgierigheid op te roepen.

Waar zou deze tekst over gaan? Wat valt op? Wat zou er gebeurd kunnen zijn? Welke vraag roept dit op?

Verwonderen geeft leerlingen een reden om te willen lezen. De tekst wordt niet gepresenteerd als een opdracht die moet worden uitgevoerd, maar als iets waarin iets te ontdekken valt.

De eerste ontmoeting met de tekst

Tijdens Verwonderen ontmoeten leerlingen de tekst voor het eerst. Die eerste ontmoeting bepaalt voor een deel hoe zij de rest van de les ingaan.

Wanneer de leerkracht begint met een uitgebreide uitleg over het onderwerp, zijn veel vragen al beantwoord voordat de tekst is gelezen. Wanneer leerlingen direct een werkblad krijgen, verschuift hun aandacht vaak naar de opdrachten. Zij proberen dan te ontdekken wat zij moeten invullen, in plaats van wat de tekst te vertellen heeft.

Verwonderen kiest voor een andere start. De leerkracht laat eerst iets zien, horen of ervaren dat de aandacht naar de inhoud trekt.

Dat kan de voorkant van een boek zijn, een illustratie uit de tekst, een bijzondere zin, een geluid, een kort fragment of een voorwerp dat met het onderwerp samenhangt. De gekozen opening moet niet vooral spectaculair zijn. Zij moet leerlingen helpen om met aandacht naar de tekst toe te bewegen.

Een goede opening maakt iets wakker. Leerlingen worden nieuwsgierig, herkennen iets of merken juist dat zij nog iets niet weten.

Nieuwsgierigheid als motor voor lezen

Leerlingen lezen aandachtiger wanneer zij ergens achter willen komen. Een vraag die uit echte nieuwsgierigheid ontstaat, geeft richting aan het lezen.

Bij een afbeelding van een giraf in een vrachtwagen kunnen leerlingen zich bijvoorbeeld afvragen waarom het dier wordt vervoerd. Bij een verhaal over een jongen die iedere dag met tegenzin naar school gaat, kunnen zij willen weten wat er op school gebeurt. Bij een tekst over een dier dat maandenlang nauwelijks beweegt, kan de vraag ontstaan hoe dat dier dan aan voedsel komt.

De leerkracht hoeft deze vragen niet allemaal zelf te bedenken. Juist de vragen van leerlingen laten zien wat hen bezighoudt en welke voorkennis zij meebrengen.

Niet iedere vraag hoeft tijdens de eerste microles beantwoord te worden. Sommige vragen kunnen tijdens Verdiepen terugkomen. Andere vragen kunnen aanleiding geven tot Verrijken.

De verwondering blijft daardoor niet beperkt tot het begin van de les. Zij loopt als een draad door de drie fasen heen.

Verwonderen is geen raadspel

Voorspellen kan een waardevol onderdeel zijn van Verwonderen, maar de fase moet geen eindeloos raadspel worden. Het doel is niet dat leerlingen zo veel mogelijk wilde ideeën noemen.

Voorspellingen worden betekenisvol wanneer leerlingen uitleggen waarop zij hun gedachte baseren.

Een leerling kan zeggen: “Ik denk dat het verhaal zich in de winter afspeelt, omdat ik sneeuw zie en de mensen dikke jassen dragen.”

De aandacht ligt dan niet alleen op het antwoord, maar ook op het kijken naar aanwijzingen. Leerlingen leren dat hun ideeën ergens op gebaseerd moeten zijn.

De leerkracht kan daarop doorvragen. Wat zie je precies? Welke aanwijzing vind jij het sterkst? Ziet iemand iets anders? Past de titel bij die voorspelling?

Zo ontstaat al voor het lezen een klein inhoudelijk gesprek. Leerlingen oefenen met waarnemen, redeneren en naar elkaar luisteren.

Niet alles vooraf uitleggen

Het kan verleidelijk zijn om moeilijke woorden, onbekende situaties en achtergrondkennis vooraf volledig uit te leggen. De leerkracht wil immers voorkomen dat leerlingen de tekst niet begrijpen.

Toch is het niet nodig om iedere moeilijkheid weg te nemen voordat de tekst begint. Een leerling mag tijdens de eerste ontmoeting merken dat iets nog onduidelijk is. Dat kan juist een reden zijn om beter te luisteren of later opnieuw te lezen.

De leerkracht geeft vooraf alleen de informatie die leerlingen nodig hebben om de grote lijn te kunnen volgen. Zonder die informatie zouden zij mogelijk helemaal geen toegang tot de tekst krijgen.

Bij een tekst over een historische gebeurtenis kan bijvoorbeeld kort worden uitgelegd in welke tijd de tekst zich afspeelt. Bij een onbekend onderwerp kan een afbeelding voldoende zijn om een eerste beeld te vormen.

Andere woorden, vragen en verbanden kunnen tijdens Verdiepen worden onderzocht. Zo blijft er iets te ontdekken.

Mogelijke openingen

Verwonderen kan op veel verschillende manieren beginnen. De keuze hangt af van de tekst, de leeftijd van de leerlingen en het doel van de les.

Een afbeelding kan leerlingen uitnodigen om goed te kijken. De leerkracht kan eerst alleen een deel van de afbeelding laten zien en later het geheel onthullen. Leerlingen benoemen wat zij waarnemen en wat zij denken dat er gebeurt.

Ook een titel kan genoeg zijn. Een opvallende titel roept vaak direct vragen op. Wat betekent deze titel? Wat voor soort tekst zou erbij passen? Welke sfeer roept de titel op?

Een bijzondere zin uit de tekst kan eveneens een krachtige opening vormen. De leerkracht kiest een zin die nieuwsgierig maakt, zonder het belangrijkste al te verklappen.

Bij sommige teksten past een voorwerp. Een oude sleutel, een veer, een stuk touw of een onbekend gebruiksvoorwerp kan het begin vormen van een gesprek. Het voorwerp moet wel inhoudelijk verbonden zijn met de tekst. Anders wordt de opening een los spelletje.

Ook een korte vraag kan het denken openen. Zou jij een dier durven vasthouden dat je niet kent? Waarom slapen sommige dieren in de winter zo lang? Kun je iets missen wat je nooit hebt gehad?

De vraag hoeft niet direct één juist antwoord te hebben. Zij moet ruimte bieden om na te denken en later opnieuw te bekijken vanuit de tekst.

De rol van de leerkracht

Tijdens Verwonderen is de leerkracht niet alleen degene die een leuke opening heeft bedacht. De leerkracht begeleidt het kijken, denken en praten.

Dat begint met ruimte geven. Leerlingen mogen eerst zelf waarnemen en reageren. De leerkracht hoeft niet ieder antwoord meteen te beoordelen of aan te vullen.

Vervolgens helpt de leerkracht om gedachten nauwkeuriger te maken. Wat bedoel je precies? Waaraan zie je dat? Wie kan daarop voortbouwen? Is er ook een andere mogelijkheid?

De leerkracht bewaakt ook de richting. Een gesprek kan gemakkelijk afdwalen naar losse ervaringen die weinig meer met de tekst te maken hebben. Persoonlijke verhalen kunnen waardevol zijn, maar moeten het gezamenlijke onderzoek niet overnemen.

Daarom brengt de leerkracht het gesprek steeds terug naar de tekst, het beeld of de centrale vraag.

De leerkracht bepaalt bovendien wanneer het genoeg is. Verwonderen hoeft niet lang te duren. Het doel is bereikt wanneer leerlingen met gerichte aandacht en nieuwsgierigheid klaar zijn om de tekst te ontmoeten.

De tekst ervaren

Na de opening wordt de tekst gelezen of voorgelezen. Tijdens deze eerste lezing staat de ervaring van de tekst centraal.

De leerkracht onderbreekt niet voortdurend voor uitleg en vragen. Te veel stops kunnen ervoor zorgen dat leerlingen de grote lijn kwijtraken. Zeker bij een verhaal is het belangrijk dat zij eerst kunnen meeleven met wat er gebeurt.

Dat betekent niet dat er helemaal niets gezegd mag worden. Soms is een korte toelichting nodig. Ook kan de leerkracht even stoppen bij een opvallend moment en ruimte geven voor een spontane reactie.

De eerste lezing blijft echter vooral een ontmoeting met de inhoud. Leerlingen hoeven nog niet alle taal, verbanden en betekenislagen te doorgronden. Daarvoor is de volgende fase bedoeld.

Na het lezen kan de leerkracht kort terugkomen op de eerste verwachtingen. Wat weten we nu? Welke voorspelling bleek te kloppen? Welke vraag is nog niet beantwoord? Wat heeft je verbaasd?

Zo wordt de eerste ontmoeting afgerond zonder dat de tekst meteen volledig wordt uitgeplozen.

Verwonderen in verschillende groepen

Bij jonge leerlingen speelt beeld vaak een grote rol. Zij kunnen uitgebreid kijken naar een illustratie, benoemen wat zij zien en luisteren naar een voorgelezen tekst. De leerkracht helpt hen om hun gedachten in woorden te vatten.

In groep 3 en 4 hoeft Verwonderen niet afhankelijk te zijn van wat leerlingen al zelfstandig kunnen lezen. De leerkracht kan de titel voorlezen, de tekst voordragen en het gesprek mondeling voeren. Zo kunnen ook beginnende lezers met rijke inhoud werken.

In groep 5 en 6 kunnen leerlingen vaker zelf korte delen bekijken. Zij kunnen een titel en tussenkopjes onderzoeken, verwachtingen opschrijven of een eerste verband leggen tussen beeld en tekst.

In groep 7 en 8 kan de opening abstracter zijn. Een stelling, dilemma, citaat of tegenstelling kan het startpunt vormen. Leerlingen kunnen hun eerste ideeën formuleren en deze later vergelijken met wat de tekst hun leert.

De kern blijft in iedere groep hetzelfde. Verwonderen opent de aandacht en geeft leerlingen een inhoudelijke reden om te lezen.

Valkuilen bij Verwonderen

Een veelvoorkomende valkuil is dat de opening langer duurt dan het lezen zelf. Leerlingen delen uitgebreid hun voorkennis, persoonlijke verhalen en voorspellingen, waardoor er weinig tijd overblijft voor de tekst.

Ook kan de leerkracht te veel sturen naar één gewenst antwoord. Verwonderen wordt dan een soort raadsel waarbij leerlingen moeten raden wat de leerkracht al weet. Dat kan onzekerheid oproepen en beperkt het denken.

Een andere valkuil is dat de opening nauwelijks verband houdt met de tekst. Een grappige activiteit kan enthousiasme oproepen, maar als leerlingen de verbinding met de inhoud niet begrijpen, draagt zij weinig bij aan het lezen.

Ten slotte kan Verwonderen te oppervlakkig blijven. Alleen vragen waar een tekst over gaat, leidt niet vanzelf tot aandachtig denken. De leerkracht moet leerlingen helpen om hun waarnemingen en ideeën te onderbouwen.

Goede verwondering is dus open, maar niet richtingloos. Er is ruimte voor verschillende gedachten, terwijl de tekst steeds het middelpunt blijft.

Van Verwonderen naar Verdiepen

Aan het einde van de eerste microles hoeven alle vragen niet beantwoord te zijn. Het is juist waardevol wanneer er iets overblijft om later naar terug te keren.

Misschien begrijpt de klas nog niet waarom een personage een bepaalde keuze maakt. Misschien is een woord blijven hangen. Misschien spreken twee stukken informatie elkaar op het eerste gezicht tegen.

Deze openingen vormen het vertrekpunt voor Verdiepen.

De leerkracht kan de reacties van leerlingen gebruiken om te bepalen waar tijdens de tweede microles extra aandacht nodig is. Wat viel hen op? Waar ontstond verwarring? Welke gedachte verdient een nauwkeuriger blik?

Verwonderen is daarmee niet alleen een aantrekkelijke introductie. Het levert informatie op over het denken van leerlingen en bereidt het verdere lezen voor.

De eerste V opent de deur naar de tekst. Leerlingen kijken, luisteren, vragen en vormen verwachtingen. Zij hoeven nog niet alles te weten.

Er hoeft alleen iets te zijn waardoor zij verder willen lezen.