Taalactiviteiten in de kring 6

Welk voorwerp hoort hierbij?

Laat een aantal plaatjes van voorwerpen zien.
De kinderen moeten zeggen hoe het voorwerp heet.
Leg de kaartjes verspreid op de grond met het plaatje naar boven.
Dan zegt ze een zin. De kinderen moeten zeggen welk plaatje bij die zin hoort.

Voorbeelden:

  • Ik doe mijn hoedje op.
  • Mijn moeder heeft een heerlijke boterham voor mij gesmeerd.
  • Het varkentje ligt in zijn hok.
  • Aardbeien vind ik lekker.
  • Ik lees een boek.

Leg vervolgens de plaatjes op de kop. Dan mag een kindje een plaatje pakken. Hij of zij moet eerst zeggen hoe het voorwerp heet. Dan mag het kind zelf een zin bedenken bij het plaatje. Probeer zinnen als: "ik zie een…" te beperken.