Het lichaam

0

 

 

 

Lesdoel/tijd

Uitwerking

Organisatie

 

Doel De kinderen oriënteren zich op hun lichaam.

 

De kinderen laten blijken of ze de begrippen, groot, klein, lang, etc. beheersen.

 

Tijd

20 minuten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kring                             10

De kinderen bespreken hun lichaam, bijv.

         Wat kan je met je lichaam doen?

         Wat zijn je lichaamsdelen en hoe zitten ze aan je lijf vast?

         Wat kan je met je lichaamsdelen doen?

         Hoe heten de lichaamsdelen?

 

Verwerking                    5

De kinderen kleuren op het werkblad de dikste buik, de langste nek, de kortste beentjes, de grootste neus, het meest krullend haar, de grootste handen, het langste haar, de kleinste voetjes.

 

Afsluiting                        5

Aanleren van het liedje

Twee handjes op de tafel

 

Alle kinderen zitten in de kring.

De kinderen doen om de beurt voor wat je met je lichaam of een lichaamsdeel kan doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

De kinderen zitten aan tafel en kleuren het figuurtje wat ik zeg.

Materiaal

         kleurpotloden

         werkblad

 

 

 

De kinderen blijven aan tafeltjes zitten, zodat ze bij het liedje gebruik daarvan kunnen maken.

Eigen leerdoelen

Observatie

Beoordeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lesdoel/tijd

Uitwerking

Organisatie

Doel

 

Groep 1 De kinderen herkennen dat niet iedereen hetzelfde is. Kunnen kinderen meten met stroken, blokken of wegen.

 

Groep 2 De kinderen weten dat niet iedereen hetzelfde is. Ze kunnen d.m.v. gerichte vragen te stellen erachter komen wie de leerkracht in het hoofd heeft.

Ze leren dat je kan meten met verschillende maten.

Kunnen onderling overleggen om kinderen te ordenen naar lengte.

 

Tijd

30 minuten, de verwerking wordt in de werkles gedaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding                     10

Verhaal kikker is kikker

Naar aanleiding van het verhaal bespreken dat niet iedereen hetzelfde is.

 

Kern                           15

         De leerkracht neemt een kind in gedachten, de kinderen moeten erachter komen welk kind het is door gerichte vragen te stellen.

         Enkele handen overtrekken en ze vergelijken en sorteren.

         Meten met verschillende maten in groepjes, hierna vertellen in de kring.

 

 

 

Verwerking

De kinderen gaan in de spiegelhoek kijken hoe hun gezicht eruit ziet en naar de verschillen tussen hun gezicht en die van iemand anders. Dan tekenen ze hun eigen gezicht na.

 

Afsluiting                  5

De kinderen gaan zich ordenen naar lengte

Iedereen zit in de kring

Materiaal

         het verhaal kikker is kikker

 

 

De kinderen zitten met elkaar in de kring. De oudste kleuters moeten een hele zin maken bij de vraag, de jongste mogen nog met woordjes vragen.

Bij het meten gaan kinderen in kleine groepjes elkaar meten, zorg dat jongste en oudste kleuters door elkaar zitten.

Materiaal

         papier en potlood

         stroken papier, blokken, weegschaal

 

De kinderen zijn bezig met werken, ze kunnen kiezen of ze dit willen doen.

Materiaal

         spiegels

         tekenmateriaal en papier

 

 

 

Trek hier wat extra tijd voor uit in de rij om naar buiten te gaan.

Eigen leerdoelen

Observatie

Beoordeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lesdoel/tijd

Uitwerking

Organisatie

 

Deze kringactiviteiten moeten verspreid worden over een dag, ’s middags gaan de kinderen in een circuit opdrachten uitvoeren.

De kringactiviteiten kunnen ook per 2 zintuigen aangeboden worden, dat ligt eraan hoe lang de kinderen geconcentreerd bezig kunnen zijn.

 

Doel

De kinderen kunnen hun zintuigen benoemen en aangeven wat je er allemaal mee kan.

Ze ontdekken dat het soms moeilijk is als je een zintuig niet kan gebruiken.

 

Tijd

Per onderwerp ongeveer 10 minuten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

In de kring een gesprekje over zintuigen, wat zijn dat, wie kan ze opnoemen, etc.

 

Kring

Voelen Vragen in de kring:

         Waar voel je mee?

         Hoe voel je?

*Blindemannetje spelen in de kring (voelen welk kind er voor je staat)

*Spullen onder een doek leggen en de kinderen laten voelen wat het is.

*Een voorwerp voelen met je voeten.

Kijken Vragen in de kring:

         Waarmee kijk je?

         Wat kan je allemaal nog meer met je ogen doen?

         Wat is de kleur van je ogen?

*Ik zie ik zie wat jij niet ziet

Horen  Vragen in de kring:

         Waar zitten je oren?

         Wat doen ze?

         Voel eens aan je oren waar het hard en zacht is.

* Tik tik wie ben ik?

* Goed luisteren met je ogen dicht en de juf nadoen

Ruiken Vragen in de kring:

         Waar ruik je mee?

         Waar zit je neus?

         Wat vind je lekker/vies?

* luciferdoosje doorgeven

Proeven Vragen in de kring:

         Laat je tong eens zien.

         Wat kan je allemaal met je tong?

         Hou je tong eens stil als je praat.

* Verschillen tussen water proeven (zoet, zuur, zout, bitter)

 

In de kring

 

 

 

 

 

De kinderen zitten in de kring.

De termen hard, zacht en de vormen gebruiken.

Materialen

         blinddoek

         verschillende voorwerpen (hard/zacht, vierkant/ rond, licht/zwaar)

         doek

 

De kinderen zitten in de kring en laten zien wat ze kunnen met hun ogen (knipogen, open/dicht, scheel kijken, etc.)

 

 

De kinderen zitten in de kring, ze kunnen ook bij elkaar voelen aan de oren.

 

 

 

 

 

De kinderen zitten in de kring

Materialen

         luciferdoosje

 

 

De kinderen zitten in de kring, ze laten zien dat ze hun tong kunnen oprollen,etc.

Maak duidelijk dat ze niet zomaar iets doorzichtigs mogen drinken.

Materialen

– water met suiker, azijn, zout, tonic(uit de fles)

 

 

 

Lesdoel/tijd

Uitwerking

Organisatie

 

Doel

De kinderen kunnen toepassen wat ze met hun zintuigen kunnen doen.

De kinderen komen erachter dat het soms erg lastig is om een opdracht uit te voeren als je er geen zintuigen bij kan gebruiken.

De kinderen leren dat ook al ziet iets er hetzelfde uit of heeft het eenzelfde kleur, toch kan het heel anders proeven.

 

Groep 2

De kinderen kunnen jongere kinderen helpen bij het doen van de opdracht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Samen met de kinderen praat je nog even over de zintuigen en leg je stapsgewijs de opdrachten van het circuit uit.

 

 

 

Kern (circuit onderdelen)

Voelen een voeldoos. In de doos wordt door een kind een voorwerp gelegd. Het kind dat voelt moet raden welk voorwerp het is.

Kijken op de tafel liggen 10 voorwerpen, 1 kind haalt er 1 van weg. De andere kinderen moeten dan raden welk voorwerp weg is.

Horen een groepje kinderen krijgt watjes in hun oren en moeten samen een opdracht uitvoeren in de blokkenhoek, zonder met elkaar te praten.

Ruiken in twee bakjes dezelfde stof, bakjes bij elkaar zoeken geblinddoekt

Proeven spullen met dezelfde kleur proeven

 

De kinderen zitten in de kring en de leerkracht doet alle opdrachten voor. Ook heeft de leerkracht de kinderen al in groepjes verdeelt, zodat er een goede mix is tussen  jonge en oudere kinderen.

 

Materialen

         kartonnen doos met 2 gaten

         verschillende voorwerpen

         10 voorwerpen

         watjes

         16 boterkuipjes

         thee, pindakaas, koffie, wc verfrisser, azijn, zeep, sinaasappel, ui.

         bakjes

         suiker, zout, bloem, kokos

         stroop, bruine suiker, chocopasta, hagelslag, chocomel

         plastic lepeltjes

         zakdoekjes

Eigen leerdoelen

Observatie

Beoordeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

<p class="MsoNormal" style="margin: 0

No comments