Balspellen

0

 

Balbehendigheid.


Balspelen en sporten 1ste graad.

Vrij spelen.

Alle leerlingen hebben een bal, (verschillend formaat zoals pingpongbal, softbal, tennisbal, volleybal, basketbal)
Vrij experimenteren, bij signaal ander formaat nemen.

Rollen: vrij.

-Vrij rollen met handen.
-Vrij rollen met voeten.
-Vrij rollen en opdracht uitvoeren bij signaal. (Bal op de buik, boven hoofd,…)
-Vrij rollen met hulpmateriaal: stok, slagplank, racket, hockeystick.

Rollen: met partner(s).

-Per twee in spreidzit, naar elkaar rollen afstand 3 m.
-Idem afstand vergroten.
-Idem in hielzit.
-Idem in spreidstand.
-Idem in ruglingse spreidstand.
-Per 3, 4 herhalen vorige oefeningen:bal verandert van richting.
-Per twee, partner maakt poortje door benen spreiden, mikken en door poortje rollen.

Parcours rollen.

-Bal over lijn rollen.
-Bal slalom rollen langs kegels,stoelen,…
-Bal rollen langs,over,onder,…
-Idem bovenstaande oef. met voeten sturen.
-Bal in een doos/ doel mikken.

Stuiten.

-Op de plaats bal laten vallen en oppakken na stuit. (buikhoogte)
-Idem met bijkomende opdrachten:
-handenklap;
-tweemaal laten stuiten;
-handen grond raken;
-1/1 draai maken tijdens stuit,…
-Met andere hand opvangen na stuit (kleine bal).
-Laten stuiten met linkerhand, opvangen met de andere.
-Bal stuiten en vooruit gaan.

 

Doelwerpen.

-Bal tegen muur werpen, tegen plint, sportraam, opgehangen voorwerpen
-Bal in doos werpen, hoepel, deel springkast, basketring,..
-Bal door hoepel werpen, door opening sportraam, klimraam.
-Tegen muur werpen, éénmaal laten stuiten en opvangen.

Werpen met tussenopdracht.

-Idem als doelwerpen met bijkomende opdrachten:
-handenklap voor de opvang;
-grond aanraken met handen;
-éénmaal ronddraaien.
-afstand tot muur vergroten.

Slaan met richting.

-Bal tegen muur: starten met een grondstuit, slag, bal tegen muur, grondstuit, slag, tegen muur,…
-Bal met slag in hoepel trachten te mikken.
-Per twee: één ll heeft bal en plank: grondstuit, slag naar partner, deze vangt en rolt terug.
-Idem, maar partner werpt terug en mikt op 1 m voor ll.(hoepel)
-Idem, zonder grondstuit bij werpen.

*  2.Balspelvormen eerste graad.

Hoepelballonspel:

Aan de wand van de zaal een tiental hoepels op de grond (links-rechts), per twee lln één ballon.
De lln trachten afwisselend (per twee) de ballon in de richting van een hoepe l te tikken, om dan de hoepel op te nemen en de ballon doorheen de hoepel te slaan, vervolgens naar de volgende hoepel enz.

Dekenbal:

Twee groepen hebben ieder een grote lap stof vast (liefst cirkel-vormig) met daarop een strandbal.
Samen wippen ze de bal omhoog; wie het langst volhoudt zonder dat de bal stilligt of op de grond valt wint.
(Zie ook: ritme met zwaaidoek)

Koninginnebal:

Groepjes van 4 lln, eerste staat voor de 3 anderen en werpt deze beurtetelings de bal toe; laat een ll de bal vallen moet hij naar plaats 3, laat de Koningin de bal vallen idem, en de ll van plaats 1 vervangt.
-Idem,maar nu moeten de lln éénmaal in de handen klappen vooraleer de bal te vangen.
-Idem, lln houden de handen gevouwen voor zich vooraleer te vangen.

-Iedere ll staat achter 5 streepjes;bij een goede vang mag hij één streep vooruit; diegene die eerst de 5 streepjes haalt wordt de nieuwe Koningin.
-Iedere ll van de groep wordt na 3 goede balwisselingen Koningin.
-In twee (drie,…)kringen, in het midden één ll die achtereenvolgens alle kinderen uit zijn kring aanspeelt. Welke kring is eerst klaar?

Fopbal.

Lln in kring, Lk in het midden; deze werpt willekeurig de bal naar een ll; (tweemaal na elkaar toegelaten)
Wie de bal laat vallen moet zitten.
-Idem, maar de lln moeten vooraleer ze de bal vangen in de handen klappen.
-Idem, maar handen worden in de heupen gehouden.
-Idem, diegene die klapt zonder dat de bal geworpen wordt is uit.
-Met meerdere kringen, in het midden een ll.

Ballenregen.

-Tennisballen in een doos, Lk werpt de ballen weg, de lln vullen terug de doos; kan de Lk de doos leeg maken?
-Idem, maar ipv doos een vierkant van banken.
-Idem, doos wordt in één keer uitgekieperd, lln moeten binnen X tellen alle ballen terug in de doos hebben.

Houd je vak leeg.

-4 banken in kruisvorm, op iedere bank een groep lln, ieder één bal.
Op teken lopen de lln naar de volgende bank, leggen hun bal vlak erachter neer, lopen terug naar hun eigen bank, halen de ballen op die door de andere lln daar gelegd zijn, brengen deze weg,…
-Idem maar zonder banken, wel strepen: de ballen mogen nu gerold worden.

Vangbal.

Kring (2,…) in het midden één ll; deze noemt de naam van een ll, en werpt de bal op.
De genoemde ll tracht de bal te vangen zonder stuit. Lukt dit, dan wordt hij opwerper.
Lukt dit niet dan lopen de andere lln weg.
Heeft de ll de bal gepakt roept hij ‘stop!’ en tracht zijn bal door de gespreide benen van de weggelopen kinderen te rollen.

Tikbal in kring (2 kringen,…)

Eén ll staat buiten de kring, en tracht de ll die de bal heeft op de rug te tikken. Bal mag willekeurig naar een andere ll geworpen worden.

Werpen met opdrachten:mikken.

Allerlei opdrachtspelletjes waarbij mikken op het peil van deze lln mogelijk is: in een hoepel werpen, op een mat, op een mat over een touw, in een doos, naar een cirkel, naar een pop, naar blikjes, naar de voeten van de partner,…

Dood of levend: (voorbereiding netbal)

2 Groepen,waartussen vrije zone van 3 … 4 meter.
Eén ll met bal roept ‘dood’ + de naam van een speler van de tegen-partij, en werpt de bal bovenhands met 2 handen over de vrije zone in het veld tegenpartij.
Kan men hier de bal vangen zonder dat deze in het speelveld stuit, dan gaat het spel verder met worp van deze partij.
Stuit de bal echter, dan is de speler wiens naam genoemd werd uit.
De spelers echter van zijn groep kunnen hem terughalen door te roepen ‘levend ‘ plus de naam van deze speler, plus de bal over te werpen zodanig dat hij stui t in het veld van de anderen.
variatie:-iedere speler 2 levens, 3 levens, 1 leven.
variatie:-de tegenpartij kan de uit-spelers van de andere groep naar zich halen.
Noot: Er kan ook begonnen worden met één toegestane stuit.

Met slagmateriaal:

Alle opdrachtspelletjes waarbij de kinderen met slagmateriaal op hun niveau trachten in een hoepel te slaan, een kegel omver te slaan, X keer tegen een muur te slaan,…

Voorbereidend jagersbalspel:

(krijt)Kring, de helft van de klas er buiten als werpers, de andere helft er binnen.Diegene die door de (zachte) bal tussen voet en knie geraakt is wordt mee werper.
-zonder afweren;
-met vuistafweren.

.Voetbal.

voetbal trappen 1.

-Per twee, ll 1 trapt de bal door de benen van 2. Wisselen. (Met rollende bal, kleine afstand beginnen)
-Idem, maar 1 gaat nu ook zijn bal aan de andere kant ophalen, en trapt van die zijde. (2 staat dus in het midden)

voetbal trappen 2.

-Per 4 één bal, 4 blokjes ( kegels,…) op 4 meter afstand. Beurtelings tracht men een blokje om te trappen.
-Iedere ll een bal: tegen de muur trappen.

voetbal trappen + dribbelen 1:

-Per twee doeltrappen tussendoor 2 kegels.
-Idem, maar vertrekken van streep met dribbelen en trappen vanaf merkteken.

voetbal dribbelen + trappen 2.

-Per 2 één bal, 2 tracht de bal van 1 af te pakken. Vanzelfsprekend alleen met de voeten!

-Eén bal per ll: bal met telkens tussenstuit omhoog trappen.
-Doeltjestrappen per 2, één ll is strafschopnemer, 2de ll is doelman. Wisselen na X trappen.

voetbal slalommen + trappen.

-Slalommen door hindernissen, vanaf merkteken doeltrappen.
-Idem met doelman.
-Per 2, bal uit hand opgooien en trappen naar ll 2.

Netbal.

Ballontikken.

( Zie ook voorbereidend spel ‘Dood of levend.’ )
-Met ballon allerlei manipulaties uitvoeren, alleen, per twee.
-Touw, elastiek, net: in kleine groepjes met ballon over-en-weer leren tikken (starten touw op hoofdhoogte).
-Idem met grote strandbal.

Netstuitbal.

Met gewone bal (volleybal) stuitbal spelen.
De bal moet eerst in het eigen kamp stuiten vooraleer hij over het net mag geworpen worden. (Maak hier zoveel mogelijk kleine groepen.)
De bal mag in het andere kamp stuiten alvorens gevangen te worden.

Netvangbal.

Werpnetbal: De bal wordt bovenhands over het net geworpen; raakt de bal de grond bij de tegenpartij dan bekomen de anderen één punt.
Speel met kleine groepen op een klein terrein. (Einde 2de leerjaar; leer spelen naar 15 punten).

Basket.

Basketdribbel.

Op de plaats oefenen, zowel met 2 handen, met linkerhand, met rechterhand.
Met verplaatsing: wandelen, lopen, achterwaarts bewegen, zijwaarts verplaatsen ( bijtrekpas), gewoon dribbelen,laag-en hoog dribbelen, tempo veranderen, combinaties.

Basketdoelen.

Met bal vrij naar basketdoel werpen.

Minitennis.

Spelconcept: vanaf 2de leerjaar, voorbereiding vanaf 1ste.

( zie balvaardigheid: oefenen met slagmateriaal) Speelveld van 10 X 5 m, in het midden gescheiden door een net,touw met lintjes eraan, twee banken op elkaar,…
Twee spelers met racket en softbal (later tennisbal);
opslag = van achter baseline, bal eerst op de grond laten stuiten, dan met een onderhandse slag ineens over het net binnen het speelvak van de tegenstander doen stuiten;
De tegenspeler slaat de bal onderhands terug in het vak van de andere ll, deze MOET eerst stuiten alvorens hij mag teruggeslagen worden.
Puntentelling: af te spreken .
punt = bij fout krijgt de tegenstander één punt.
fout = -bal buiten de lijnen slaan zonder stuit in het tegenvak;
-bal in het net slaan; ( bij opslag 2 X)
-bal terugslaan zonder stuit in eigen speelvak;
-bal opslaan van op of binnen het eigen speelveld;
-bal bovenhands aanpakken;
-bal tweemaal na elkaar slaan.( Dubbelslag)

Balspelen en sporten. 2de graad.

Volgende initiaties kunnen aan bod komen:

1.Voetbal.
2.Netbal.
3.Minibasketbal.
4.Miditennis.
5.Minihoc.

1.Voetbal.

Grondpas:

-Per 2, grondpas met stilligende bal; geleidelijk afstand vergroten.
-Per drie, ll 1 trapt de bal door de benen van 2 naar 3. Wisselen.(Met rollende bal, kleine afstand beginnen)
-Per 3 in driehoek, grondpas met telkens stoppen van de bal.
-Per 3 in driehoek, zonder stoppen van de bal.

Boogpas:

-per 2, stilligende bal,met kleine aanloop juiste traptechniek oefenen om de bal met kleine boog naar partner te sturen.
-iedere ll een bal: met boog tegen muur trappen.
-inoefenen hoekschoppen trappen.

Dribbelen + trappen 1.

-per twee doeltrappen tussendoor 2 kegels.
-idem, maar vertrekken van streep met dribbelen en trappen vanaf merkteken.
-idem, + trappen naar doel.(zonder doelman)
-idem, met doelman.

Dribbelen + trappen 2.

-per 2 één bal, 2 tracht de bal van 1 af te pakken. (Vanzelfsprekend alleen met de voeten! )
-techniek van verplaatsen en balbeheersing oefenen: per 2, met dribbelen en passen; per 3, idem; oefenen per 2 in voorbijsteken tegenstander.

Passen in beweging:

-per 2 wandelend passen;
-idem lopend;
-idem met trap op doel na X meter;
-idem met 1 tegenstander.

Diverse technieken:

-uittrappen: één bal per ll: bal met telkens tussenstuit omhoog trappen.
-per 2 naar elkaar over grotere afstand.
-doeltjestrappen per 2, één ll is strafschopnemer, 2de ll is doelman.
-inworp oefenen.
-koppen oefenen.
-balstop oefenen.
-spel ‘bal-van-de-grond-houden’.

2.Netbal:

Bal vangen en werpen.

-Iedere ll een bal, onderhands tegen muur werpen en vangen met 2 Hn, zowel onderH als bovenh;
-Idem, echter met 2 Hn bovenH. tegen muur werpen en zowel onderH. als bovenH. opvangen;
-Per 2 lln, 1 bal, balworp oH naar elkaar vanop 3 m afstand; afstand vergroten;
-Per 2, idem bovenH.
-Per 2, zwaaiworp oH met 1 H naar elkaar met boogpas;
-Idem over touw, net,…
-Per 3, 1ste ll werpt naar 2de met zwaaiworp, 2de vangt en werpt naar 3de (2 Hn), 3de werpt naar 1ste terug; wisselen;
-Toepassing in primair netbalspel;
-Reeds toelaten van eenvoudige toets door 3de speler.
(4de leerjaar, desgevallend initiatie toetsen inlassen: zie 3de graad)

In te voeren spelregels:

1.(Vervolg ‘Dood of levend 2de lj)

-invoeren touw, net,…tussen 2 kampen/ploegen.
-zelfde spelregels als einde 2de lj;
-bal moet met 2 handen over hindernis worden geworpen, mag niet meer stuiten;
-balbezitter moet blijven staan en passen of overgooien;
-afspreken voor scoren van punten, bv. eerste ploeg die 10 punten maakt wint een spel.

-opletten voor balwissel naar andere ploeg = voorwaarde om daarna te kunnen scoren.(bal afpakken)

2.Overstap naar volleyspel-organisatie:

-invoeren van startopworp van achter bepaalde lijn;
-invoeren van spelersaantal: 4,(klein terrein,bv 2 speelvelden op 1 volleybalterrein) 8 op volleybalterrein;
-score uitbreiden naar 15 punten = 1 set.
-invoeren van opvang/pas/worp = maximum 3 lln mogen de bal raken;
-invoeren van ‘zuivere’ vang: enkel de Hn mogen de bal raken.

3.Handbal:

voorbereiding 3de graad.

-Vrij werpen met 1 H.(dominantie);
-Tegen muur;
-Tegen muur in doelvlak;
-Naar klein doel;
-Naar klein doel met verdediger;
-Idem met aanloop tot merkteken.

4.Minibasketbal.

Doelen:

-Vrij werpen naar doel;
-invoeren bovenhands doelshot:
-naar kring(steen, merk,…) op muur;
-idem over touw, elastiek,…
-in groter doel zoals horizontaal opgehangen hoepel;
-in basket.(twee groepen, wedstrijdvorm vanaf vrijworplijn)

Stuiten.

Individueel:
-Iedere ll een bal, vrije dribbel.
-Gewone, lage, hoge dribbel l/r.
-Dribbel met verplaatsing vw, aw, zijw.
-Dribbel zig-zag door kegelrij met overpak. (dribbel zowel l als r toegestaan, balvang wel met 2 Hn)
-Basketdribbel lH/rH met bescherming; idem met andere ll als tegenstander.
-Basketdribbel vrij met stuiten rond eigen lichaam, onderdoor Bn, met overzwaaien 1 Bn.
-Idem met verplaatsing.
-Idem met verplaatsing en tegenstander.

Dribbelen en passen.

-Per twee lln, één bal: samen vooruit bewegen, passen geven na dribbelen. (vb 5 X dribbelen, bal vastnemen met 2 handen, pas geven)

-Per twee lln, aan weerskanten zaal tegenover elkaar; de lln vertrekken gelijktijdig, de ll met bal dribbelt, en geeft bij

het passeren van de andere ll de bal door met een pas of met een stuit.

Dribbelen en stoppen in 2 stappen.

-Dribbelen doorheen een kegelrij al slalommend.

-Vrij lopen en dribbelen, op signaal onmiddellijk stilstaan.

-Idem, maar stilstaan in twee passen.

Dribbelen, stoppen en doelen.

-Dribbelen met de bal, op teken nog 2 passen gaan (bal met 2 handen vasthouden) en stilstaan.

-Na wandeldribbel stilstaan bal in beide handen op ongeveer 2 meter van basketdoel, onderhands trachten te doelen.

(minibasketbal)

5.Minitennis.

Spelconcept: uitbreiding van 2de leerjaar.(zie : oefenen met slagmateriaal)

Speelveld van 10 X 5 m, in het midden gescheiden door een net, touw met lintjes eraan, twee banken op elkaar,…

Twee spelers met racket en softbal (later tennisbal);

-opslag = van achter baseline, onderhands of bovenhands.Volleyspel wordt hier reeds toegelaten.

-véél spelen om de ervaringen uit te breiden.(meerdere kleine speelvelden afgebakend met krijtstrepen, net = dubbele bank)

-3de ll wordt scheidsrechter.

6.Badminton.

Zie basisvaardigheden bij minitennis 1ste graad, nu echter met badmintonracket en shuttle.

De leerlingen spelen het spel op zijn meest eenvoudige wijze, nl over een touw, elastiek of klein net in aangepaste vakken, met de onderhandse slag als basis.

(Later wordt de bovenhandse ook ingeoefend en toegepast tijdens het spel = naar 5de leerjaar toe)

Balspelen en sporten 3de graad.

Volgende balsporten kunnen in 5de en 6de leerjaren aan bod komen:

1.Voetbal.(uitbreiding).

2.Netbal/volleybal(uitbreiding).

3.Minibasketbal.(uitbreiding)

4.Handbal.(nieuw na voorbereidng)

5.Tennis.(uitbreiding)

6.Tafeltennis.(nieuw)

7.Honkbal.(nieuw)

8.Badminton.(uitbreiding)

9.Minihockey.(nieuw)

Noteer: uit deze sporten kan een keuze gemaakt worden om toe te passen tijdens het middag- of naschools sporten.

1.Voetballen:

-Herhaling basistechnieken.(zie 2de graad)

-Veldopstelling.

-Toepassingen.(veldvoetbal, zaalvoetbal, minivoetbal)

Wedstrijd spelen:

-opstelling adhv zelfkennis. (Doelman, verdediging, aanval, kapitein)

-afspraken ivm reglementen en sancties.

-wedstrijdjes van maximaal 2 X 15 ‘ in breedte voetbalterrein.

-aanpassen aan verschillen inzake veld-, zaal-, minivoetbal.

2.Netbal/volleybal.

Van netbalspel komen tot eenvoudige volleybal, ploegen van 6 leerlingen.

Toetsen:

-Handhouding: bal op de grond, vastnemen met vingers open en boven hoofd brengen.

-Handhouding: bal rollen, vastnemen, boven hoofd brengen.

-Handhouding: bal tegen muur werpen, bovenhands opvangen.

-Zelf bal opwerpen en bovenhands opvangen.

-Demonstratie en nabootsen toets.

-Eénmaal toetsen.

-Idem, meerdere malen toetsen.

-Tegen muur toetsen.

-Per 2, 1 zet de bal op, 2 toetst terug.

-Per 2, naar elkaar toetsen.

-Per 3, naar elkaar toetsen.

Opslag:

-Bal onderhands met één hand tegen muur werpen.

-Bal ligt op andere hand, met slagarm tegen muur kaatsen.

-Afstand vergroten.

-Nadruk leggen op voorbereiden houding.

-Opslag tegen muur oefenen vanuit juiste aanvangshouding.

-Idem, afstand vergroten.

-Per 2 naar elkaar opslag oefenen.

-Idem, 2 toetst terug.

-Per 2 over net oefenen.

-Idem, 2 toetst terug.

-Idem, afstand vergroten.

-Leren mikken: door op andere terrein bv. 3 matten te leggen,

speler zegt vooraf welke mat hij tracht te raken.

Opvang:

-Bal van laag naar hoog met gestrekte armen opgooien.

-Idem tegen muur.

-Idem, na grondstuit onderhands opvangen.

-Juiste opvangtechniek demonstreren.

-Bal opwerpen, grondstuit, onderhanse opvang omhoog oefenen.

-Per 2, 1 werpt op, grondstuit, opvang omhoog.

-Idem, opvang terug naar partner.

-Per 3, idem, opvang naar 3.

-Per 2, 1 werpt met boog naar 2, 2 vangt op en speelt terug.

-Per 3, 1 geeft zachte opslag naar 2, 2 vangt onderhands op en

past naar 3, 3 toetst naar 1,…

Wedstrijd:

-2 tegen 2 op klein terrein(bv 4 X 8 m, elastiek in het midden)

-idem, 3 aanrakingen verplichten.( systeem strandnetbal)

-idem, 3 tegen 3.

-6 tegen 6, op minivolleyterrein.

Noteer: dit spel leent zich uitstekend voor bv. een middagcompetitie, naschools sporten,…

3.Minibasketbal.

-Streetbasket.

-Spelen van minibasketbal met 5 tegen 5.

Dribbelen:

-iedere ll een bal, dribbelen met bijkomende opdrachten: wandelen, lopen, zijwaarts bewegen, volledig ronddraaien, laag dribbelen, slalomm en doorheen kegelrij, door eigen benen dribbelen, beschermend dribbelen ,…

-Per 2, 1 bal, ll zonder bal tracht bal van dribbelaar weg te tikken.

-Individueel dribbelen, stoppen en pivoteren.

-Per 3, 2 tegen 1 met dribbelen en passen.

-Individueel lopend dribbelen, bal vastgrijpen met 2 handen met opsprong, 2 looppassen.(voorbereiding lay-up)

Doelshot:

-techniek setshot per 2 over elastiek, touw inoefenen.(aandacht voor aanvangshouding)

-individueel naar merkteken op muur over elastiek.

-idem, afstand vergroten.

-idem, starten met dribbelen tot merkteken, stoppen, pivoteren, setshot, naar volgend merk,…

-idem naar basket.

-per 2, 1 dribbelt, stopt, pivoteert, past naar 2, 2 doelt, wisselen naar 2de basket,…

-per 3, 1 ll is tegenstander in het doelgebied.

-groeperen rond doelgebied, iedere ll een bal, eerste doelt, enz.

Na de laatste schuift iedereen een plaats op, herbegint.

Lay-up:

-per 2, 1 bal vast 2 handen, 2 looppassen, afstoot, bal intussen omhoog brengen, op hoogste punt met boog naar speler 2 passen.

-idem naar basket.

-per 2, 1 past naar 2, 2 grijpt bal met opsprong, oefent lay-up naar basket.

-idem, per 3, 1 ll is tegenstander in doelgebied.

Aanval en verdediging:

-zone-verdediging.

-man-man verdediging.

-oefenen rebound.

Streetbasket:

-2 tegen 2, 3 tegen 3 oefenen op één basketdoel: toepassen tijdens vrije tijd op koer.

-afspreken van eenvoudig wiselsysteem aanvallers/verdedigers.

Noteer: diverse oefenvormen basket kunnen in circuit geoefend worden; vooraf een planning met werkhoeken is aangewezen.

Wedstrijd:

De beginselen werden reeds in het 4de leerjaar uitgeprobeerd; verdere invoering van reglementen past hier, tot in het laatste

semester van het 6de leerjaar alle leerlingen een duidelijk inzicht hebben in het geheel en dit op sportieve wijze kunnen

toepassen.

4.Handbal.

Passen:

-per 2 éénhandspas bovenhands, onderhands;

-per 3 met doorschuiven;

-met stuitverplaatsing;

-rondspelen met volledige ploeg voor aanvalslijn.

Doelwerpen:

-vanuit stilstand bovenhands rechtstreeks;

-vanuit stilstand bovenhands met grondstuit voor doellijn;

-met aanloop en opsprong bovenhands rechtstreeks/met stuit;

-idem met tegenstander.

Aanval en verdediging:

-opstelling verdediging en aanval;

-rondspelen tot vrije man bereikt wordt, doelpoging;

-Quick-break.

5.Tennis.

Forehand:

-juiste techniek oefenen tegen muur;

-per 2 gekruist oefenen;

Backhand:

-juiste techniek oefenen tegen muur;

-per 2 gekruist oefenen.

Opslag:

-juiste techniek oefenen tegen muur;

-per 2 idem over net.

Volley:

-per 2, 1 werpt bal naar 2, 2 oefent bovenhandse volley zowel in fore- als in backhandhouding.

Wedstrijd: systeem midi-tennis.

6.Tafeltennis.

Opslag:

-oefenen tegen rechtopstaande zijde tafel;

-oefenen per 2, beurtelings opslaan.

Forehand:

-per 2 gekruist oefenen.

Backhand:

-per 2 gekruist oefenen.

Smash:

-per 2, 1 werpt bal hoog op, na stuit smasht 2 terug.

Op minimum 1 meter van achterzijde tafel, zolang mogelijk naar elkaar spelen.

Wedstrijd: naar X aantal punten.

7.Honkbal(eenvoudig – met tennisracket, uitzonderlijk peanutbal)

Werp- en vangtechniek 1 :

-per 2, 1 tennisbal:bal heen-en-weer werpen met bovenhandse worp , vangen met 2 handen;

-idem, vangen met 1 hand;

-idem, afstand vergroten;

-per 2, 4 idem waarbij zo snel mogelijk bv. X passen moeten worden gegeven;

-idem, spelers bewegen door elkaar.

Werp- en vangtechniek 2 : 10-passenspel 5 tegen 5:

Starten met een opworp tussen 2 spelers; de groep in balbezit tracht 10 X de bal onderling te passen zonder dat de tegenstanders deze kunn en bemachtigen.

De bal mag niet op de grond komen, ook niet tussen 2 dezelfde spelers heen-en-weer gespeeld worden.

Bij fout wordt vanaf 0 passen herteld. De ploeg die erin slaagt 10 juiste passen te geven krijgt 1 punt.

Slagman:

Onderscheid maken tussen diverse slagen:

-ver en hoog;

-ver en laag;

-richting;

-stuitbal.

-per 2, éénhandspas met vangen 2 handen, één hand;

-per 2 snelle rechtstreekse pas;

-overbruggen afstand met meerdere tussenworpen met bv. 3,4 lln.

Uitbranden:

Invoeren systeem uitbranden:

-Per 3, in driehoek, uitbrander staat aan honk, medespeler in balbezit; op signaal vertrekt 3de speler naar honk, speler in

balbezit tracht de uitbrander met een rechtstreekse worp te bereiken vooraleer tegenspeler de honk bereikt.(beginnen met

een kleine afstand, vergroten)

-Idem per 4, waarvan 3 vangmannen en ÆÆn loper, met een tussenworp.

-Idem per 5, 4 vangmannen met 3 passen en een thuisworp.

Wedstrijd: eenvoudig speelwijze met 2 ploegen, kapiteins, afspraken maken, veldopstelling, puntentelling, wisselen,…

8.Badminton.

Opslag:

-Altijd onderhands, oefenen per 2 naar elkaar waarbij de ontvanger telkens de shuttle met de racket opvangt, niet direct te-

rugslaat.

-Idem, + in hoepel trachten te mikken.

Forehand, backhand:

-per 2 oefenen over net, touw, met telkens shuttle stilleggen;;

-idem naar doel, bv. hoepel, mat;

-per 2 naar elkaar heen-en-weer;

-per 2 naast elkaar mikken en trachten terug te slaan.

Smash:

-shutlle zelf opwerpen, bovenhands over net, touw slaan;

-per 2, andere ll werpt op, speler smasht;

-per 2, andere speler speelt oh. hoog op, speler smasht.

Wedstrijd: met eenvoudige regels naar 10 punten.

9.Minihoc.

-individueel met hockeystick en tennisbal drive oefenen; (gaan, lopen)

-idem tussendoor kegelrij slalommen;(gaan, lopen)

-per 2 in stilstand naar elkaar pasen;

-idem gaan;

-idem lopen;

-per 2 naar elkaar passen met ontwijken tegenspeler;(gaan,lopen)

-oefenen nemen vrije slag;

-oefenen naar doel slaan zonder, met doelman;

Wedstrijdje met eenvoudige spelregels.


 

No comments